Terracotta en bisquit: Dit zijn namen voor aardewerken voorwerpen die één keer gebakken zijn. Bij roodbakkende klei zijn het terracotta spaarvarkens en bij andere kleisoorten gaat het spaarvarken verder als bisquit. In dit geval is dit de grondvorm die wordt versierd en geglazuurd.
Slipversiering: Met kleurige kleipap (slip) werd het nog ongebakken spaarvarken versierd. Een bekende decoratietechniek heet ringeloren. Dat werd gedaan met een koehoorn waar men een gaatje in de punt had gemaakt en die men vulde met de slip (vgl. een slagroomspuit). Men maakte hiermee lijnen en stippen.
Kerfsnee: Hierbij is de versiering voor het bakken met een mesje in de nog vochtige klei uitgesneden of gekerfd. De versieringsmotieven zijn verwant aan die bij houtsnijwerk. Na één keer bakken vind het glazuren plaats in verschillende kleuren. Tot ongeveer 1900 was dat enkelkleurig: groen, geel of bruin, daarna veelkleurig met geel, groen, bruin en ook blauw.
Glazuren: Een metaaloxide houdend vloeibaar kleilaagje wordt op het eenmaal gebakken (bisquit) spaarvarken aangebracht, waardoor na het afbakken een glasachtige en waterdichte laag op de huid van het varken ontstaat. De metaaloxiden in het kleilaagje bepalen de kleur (bijv. koperas voor groen en zwavelantimoon voor geel). Tinglazuur is dekkend, loodglazuur is doorzichtig.
Steengoed: Met een bepaald bakprocedé kan de buitenkant van de klei worden omgezet in een glasachtig laagje. Dit noemen we steengoed of stoneware. Dit type spaarvarkens vind je veel in Engeland. Bijzonder zijn de spaarvarkens van steengoed waar deels glazuur op is aangebracht. Hiervoor doopt men het ‘bisquit’ voor het deel dat niet geglazuurd moet worden in was en het andere deel wordt geglazuurd. Met verrassende resultaten.