Er zijn drie manieren om een spaarvarken te maken.
Methode 1: Draaien op het wiel
Een potje draaien, daarop een kop maken , vier pootjes er onder, oren en staartje er aan, geldsleuf erin en klaar!
Methode 2: Boetseren
Vraag eens aan een pottenbakker of hij/zij een spaarvarken wil maken. In 9 van de 10 gevallen zullen ze dat niet willen. Of het beneden hun stand is, of dat het hen te lastig is? Geen idee, maar een geboetseerd varken komt bij ons zelden voor. Maar die er zijn, zijn een plaatje…..
Methode 3: Uit de mal
95% van de spaarvarkens in onze Westerse wereld komt uit mallen. De kleisubstantie wordt verdund met water tot er een soort slib ontstaat. Dit wordt in een mal gegoten waarin het spaarvarken als contravorm in zit. De mal is van hygroscopisch materiaal (bv. gips dat snel water opneemt) waardoor er zich een laagje klei tegen de wand afzet. Het overtollige slib wordt er weer uitgegoten en een tijdje drogen gaat de mal open en wordt de ‘rauwe’ vorm zichtbaar. Deze wordt gebakken, het product noemen we dan ‘bisquit’. Na glazuren en een tweede keer bakken is het varken klaar.
Een in onbruik geraakte manier is het persen van klei in matrijzen. Stel je de helft van de gietmal voor (van steviger materiaal dan als gips bij het gieten). Doe daar een ‘lap’ klei in en pers die met de hand of contramal tegen de binnenzijde van de mal. Door dat persen ontstaat één helft spaarvarken, ‘los’ die helft en doe het nogmaals. Er zijn nu twee helften die met kleipasta aan elkaar ‘geplakt’ worden, waarna de overtollige delen weggesneden worden. Als je spaarvarken een naad (‘lengtestreep’) over het midden heeft heb je een oud exemplaar