Er zijn drie manieren om een spaarvarken te maken.
Methode 1: Draaien op het wiel
Een potje draaien, daarop een kop maken , vier pootjes er onder, oren en staartje er aan, geldsleuf erin en klaar!
Methode 2: Boetseren
Vraag eens aan een pottenbakker of hij/zij een spaarvarken wil maken. In 9 van de 10 gevallen zullen ze dat niet willen. Of het beneden hun stand is, of dat het hen te lastig is? Geen idee, maar een geboetseerd varken komt bij ons zelden voor. Maar die er zijn, zijn een plaatje…..
Methode 3: Uit de mal
90% van de keramische spaarvarkens komt uit mallen. Kleisubstantie wordt verdund met water tot er een soort slib ontstaat. Dit wordt in een mal gegoten waarin het spaarvarken als contravorm in zit. De mal is van materiaal dat snel water opneemt waardoor er zich een laagje klei tegen de wand afzet. Na een korte (in-)droogtijd wordt het overtollige slib er weer uitgegoten, kan de mal open en wordt de ‘rauwe’ vorm zichtbaar. Tegenwoordig zitten er doppen in spaarvarkens, dit gat wordt gebruikt om het overtollige slib uit te gieten. Bij de ouderwetse spaarvarkens is dat wat lastiger. Vaak is er een gat bij de staart, die er later wordt aangezet. Of gaten in de poten, die openblijven. Maar ook worden ze in twee helften gegoten die na droging (en weg laten lopen van overtollige slib) met kleipasta aan elkaar ‘geplakt’ worden, waarna de overtollige delen weggesneden worden. De kunst bij de laatste methode is de beide helften even dik te laten zijn. Dit is een arbeidsintensieve methode die de spaarvarkens duurder maakt. De geldgleuf wordt altijd in de rauwe vorm gesneden. Deze rauwe vorm, met geldgleuf en staart (en oren die vaak apart worden aangezet) wordt gebakken; het product noemen we ‘bisquit’. Na beschilderen, glazuren en een tweede keer bakken is het spaarvarken klaar voor gebruik.